17e eeuwse wrakken in het Oostvoornse meer
Ontdek de oude houten wrakken tijdens onze winter-wrakkentours
Brielse Maas
De Brielse Maas was vroeger de belangrijkste doorvaart richting de haven van Rotterdam, voordat de Nieuwe Maas werd aangelegd. Door aanleg van de Brielse Gatdam in de jaren ‘50 ontstond het Brielse meer, en door aanleg van een tweede dam in 1966 ontstond het Oostvoornse Meer. Vroeger was het Oostvoornse Meer dus een open verbinding tussen Rotterdam en de Noordzee, die veel werd gebruikt door vrachtschepen.
De zandbank “Maasdroogen” die in de Brielse Maas lag, was een waar scheepskerkhof. En dat is het nu nog. Ondanks dat de Brielse Maas nu het Oostvoornse meer is geworden, liggen de scheepswrakken uit de 17e en 18e eeuw er nog steeds. Voor de aanleg van de Maasvlakte is er zand uit het Oostvoornse meer gezogen, wat zorgt voor diepe putten, die op de kaart nog duidelijk herkenbaar zijn. De wrakken die er toen al eeuwen lagen zijn daardoor verplaatst, verzakt of verder weggezonken.
In de zomer is het zicht tegenwoordig helaas slecht door algenbloei, maar in de winter wordt het kraakhelder. Ondanks de kou is dat het moment om op wrakkentour te gaan. Sommige van de oude, houten wrakken liggen ondiep: Een wrakje bijgenaamd “spareribs” ligt op maar 5-6 meter. Er zijn slechts een paar ribben van over. Andere wrakken, zoals het bekendere Loodwrak en Touwwrak, liggen dieper, op zo’n 35 meter. Ondanks dat er uitgebreid archeologisch onderzoek gedaan is naar de wrakken, zijn de meesten nooit geidentificeerd, met uitzondering van het ‘Loodwrak’, dat waarschijnlijk een Engels vrachtschip geweest is, genaamd "George N. N.”, en onder andere baren lood vervoerde. Het ‘Touwwrak’ is waarschijnlijk een walvisvaarder geweest, en wordt het ‘Touwwrak’ genoemd, omdat er nog steeds stukken 17e eeuws henneptouw te vinden zijn.
Geen naam
De overige wrakken hebben geen naam, maar hebben ter identificatie een nummer gekregen, zoals OVM10a, OVM14, OVM6 en OVM9 etcetera. De meeste van deze wrakken liggen vrijwel in het midden van het meer, waarvan er drie, de OVM10, OVM10b en OVM14 op de ‘Wrakheuvel’ liggen. Dat is een grote zandbank midden in het meer. Het water eromheen is zo’n 27 meter diep, maar de heuvel zelf komt tot 17 meter diepte omhoog. Een aantal wrakken liggen aan de zuidoever van het meer, zoals de OVM6 en OVM9. Die kan je vanaf de kant niet gemakkelijk bereiken; de instap is over het algemeen vanaf de Noordoever. Wil je die bereiken, dan zal je moeten scooteren, en een aardig staaltje navigatietechniek moeten laten zien.
De meeste van de oude houten wrakken zijn verregaand vergaan, en bestaan nog slechts uit een verzameling balken en spanten. De OVM14 is echter nog goed herkenbaar als schip, omdat beide scheepswanden nog intact zijn, en tot zo’n 4 meter uit de bodem steken. Helaas heeft de houtworm zich een weg in het meer weten te vinden, waardoor met name de ondiepere wrakken zoals de OVM8 en 9 verregaand aangetast zijn en steeds verder worden opgegeten. Nog een paar jaar, en er is niets meer van over.
Soms worden er nog nieuwe wrakdelen aangetroffen, zoals het ‘Poolse wrak’, dat geen OVM nummer heeft gekregen, en een paar jaar geleden door een groep Poolse duikers in kaart is gebracht. Het onvindbare wrak van de OVM16 heeft al menig duiker gefrustreerd uit het water doen komen. Het staat wel op de kaart, maar er is nog maar weinig van terug te vinden. Sommige duikers claimen een paar planken uit het zand te hebben zien steken, anderen vinden niets. In de Tweede Wereldoorlog zijn er twee bommenwerpers in het Oostvoornse meer (toen nog Brielse Maas) neergestort. Ergens midden in het meer ligt nog een vleugel. Vlakbij is op 22m meter diepte een gedenkplaat aangebracht voor één van de bemanningsleden die daar zijn omgekomen. Rijkswaterstaat is er in de jaren ‘60 een pontonnetje verloren, en deze ‘kabellegger’ ligt nu op 20 meter diepte in een kuil.
Als je de locaties van de wrakken weet te vinden, kan je in één duik wel 6 of 7 wrakken bezoeken. Sommigen liggen dicht bij elkaar, zoals de OVM10a en OVM10b, die beide bovenop de ‘Wrakheuvel’ liggen, maar anderen liggen honderden meters uit elkaar. Navigeren, scooteren en lange duiken. In de winter, als het zicht in December begint op te klaren, verzamelen zich hele groepen, voornamelijk tech duikers, aan de Noordoever. Gekleed in droogpakken, vaak met verwarmde onderpakken en uitgerust met dubbelsets of rebreathers en scooters, gaan ze in grote groepen te water. Enkelen van hen kennen het meer als hun broekzak, en navigeren van het ene naar het andere wrak. In een duik van een uur kan je soms wel drie wrakken zien, maar voor de tour met 6 of 7 wrakken moet je al gauw 90 minuten uittrekken.
Ook voor recreatieve duikers is er genoeg te zien in het Meer. Bij de duikstekken Slag Stormvogel en Slag Baardmannetje zijn duikgebieden aangelegd, met vele objecten. Een aantal van de oude houten wrakken zijn ook voor sportduikers bereikbaar, maar in de meeste gevallen zijn de zwemafstanden groot, is een grote luchtvoorraad nodig en is een scooter geen overbodige luxe.
In Maart is het alweer afgelopen; als het zonnetje begint te schijnen gaan ook de algen weer bloeien en neemt het zicht snel af.
Waar ter wereld kan je nou op zeven 17e eeuwse wrakken in één duik duiken?


