Black Marlin
Technical Dive Training

Decompressie modellen.


Waarom geeft mijn computer een andere 0-tijd aan dan die van mijn buddy?

Dat kan van verschillende dingen afhangen; de meeste daarvan zijn wel bekend:

  • Je buddy heeft vanmorgen al gedoken, jij niet
  • Je buddy heeft de hele duik steeds iets dieper of ondieper gedoken
  • Misschien heeft je buddy zijn/haar computer op Nitrox staan en jij op lucht of andersom
  • Misschien heeft je buddy een conservatieve instelling in de computer staan.

Maar daar gaat dit artikel niet over.
Er is namelijk ook een kans dat er een ander decompressiemodel in de computer van je buddy zit. In deze blog leg ik uit wat de verschillen zijn.
Er zijn grofweg twee soorten decompressie modellen, en fabrikanten van duikcomputers kiezen meestal één van die twee soorten. Sommige fabrikanten laten je kiezen welk model je wilt instellen in de computer. Dan moet je wel weten wat de verschillen zijn.

  1. Opgeloste gassen modellen (Bijvoorbeeld: Bühlmann).

Deze modellen gaan ervan uit dat alle inerte gassen (stikstof, en voor technische duikers soms ook helium) zijn opgelost in het bloed en de lichaamsweefsels. Doelstelling van deze modellen is om bij een opstijging te voorkomen dat er bellen ontstaan. Voor (meestal) 16 verschillende weefsels berekent je computer hoeveel inerte gassen het heeft opgenomen. Als je gaat opstijgen moeten die inerte gassen er ook weer uit, en dat kost tijd. Deze modellen proberen te zorgen dat je zo min mogelijk extra inerte gassen opneemt tijdens de opstijging (ja, als je te langzaam stijgt raak je extra verzadigd met stikstof tijdens je opstijging). Wat deze modellen doen is je zo snel mogelijk (uiteraard zit er een grens aan die snelheid) richting de oppervlakte laten stijgen, totdat je “je hoofd stoot’ tegen de zogenaamde M-waarde. Dat is de maximale hoeveelheid overdruk aan stikstof die een weefsel nog kan verdragen voordat de inerte gassen niet meer in de vloeistof vastgehouden kunnen worden en bellen gaan vormen. Overschrijd je die waarde, dan voorspelt het model dat je kans krijgt op decompressieziekte. Dan laat de computer je dus een stop maken.

2. Bubble modellen (bijvoorbeeld: RGBM en VPM)

Bubblemodellen gaan ervan uit dat er altijd microbellen ontstaan tijdens een opstijging. Het ontstaan van bellen kan je dus niet voorkomen, zoals het Bühlmann model probeert. Het is wetenschappelijk aangetoond dat er altijd bellen ontstaan, ook als je je aan alle limieten houdt. Bubblemodellen proberen te voorkomen dat die microbellen groeien. Microscopisch kleine bellen zijn immers onschadelijk; die kunnen door de haarvaatjes in onze longen heen en worden daar uitgeademd. Grote bellen zijn echter wel schadelijk; die kunnen bijvoorbeeld in bloedvaten vast komen te zitten en triggeren daar decompressieziekte. Hoe houd je een bel klein? Door ‘m op druk te houden! Een bubble model laat je, in vergelijking met het Bühlmann model, dus diepere stops maken: dit geeft je hart de gelegenheid om het bloed met daarin microbellen, langs de longen te pompen alwaar je de microbellen kwijt raakt.
Verder kennen sommige van deze bubble modellen ‘gedragsregels’ die, als je ze overschrijdt, een extra lange stop of een kortere 0-tijd geven. Het RGBM dat Suunto veel gebruikt, houdt bijvoorbeeld rekening met een gedeeltelijk te snelle opstijging, jo-jo duiken, herhalingsduiken en ‘reverse profile’ duiken en duiken op hoogte. Deze gedragingen veroorzaken extra microbellen, dus daar houdt het model rekening mee.
Bubble modellen kennen geen M-waarde. De ‘grens’ die deze modellen trekken is niet de maximale overdruk aan inerte gassen in onze weefsels, maar de zogezegde ‘critical volume’: de modellen voorspellen wat het opgetelde volume is van de ontstane bellen. Heel veel microbellen geven nog niet zo veel volume, maar een paar grote samen wel.
Conclusie: de rekenmethode waarmee deze modellen decompressie berekeningen maken en kans op decompressieziekte voorspellen is fundamenteel anders, dus komen ze tot verschillende uitkomsten.

Welk model is het beste?
Het model dat je buddy ook gebruikt! Wat je ook gebruikt, zorg dat jij en je buddy hetzelfde model in je computer hebben. Maar wat moet je dan kiezen?
Dat hangt heel erg af van wat voor duiker je bent en wat voor duiken je maakt.
Maak je vooral sportduiken tot 30 meter met lucht of Nitrox? Dan kan je prima uit de voeten met RGBM. Maak je op vakantie veel herhalingsduiken in de buurt van de 0-tijd? Dan is RGBM conservatiever dan Bühlmann. Maak je technische duiken tot maximaal 80 meter? Dan verliest RGBM zijn waarde en is VPM-B een goed model voor je, maar ook Bühlmann is dan heel geschikt - als je de Gradient Factors goed instelt.
Ga je dieper dan 80 meter? Dan kan je kiezen voor VPM-B/E of Bühlmann. De laatste jaren zie je dat steeds meer technische duikers wegbewegen van de bubble modellen en steeds vaker kiezen voor een Bühlmann model met Gradient Factors. Bubble modellen houden je immers lang op diepte (diepstops) en zorgen voor onnodige extra ‘ongassing’.


Wat zijn Gradient Factors en hoe stel je die in? Daarover meer in een volgend blog.
Wil je echt alles weten over decompressie? Volg dan mijn Masterclass Decompressie theorie.

 
 
 
 
E-mailen
Map